Ik word wakker voordat de wekker gaat.
Het is nog donker in mijn kamer. Even blijf ik liggen, alsof ik door stil te blijven de dag kan uitstellen. Naast me ligt mijn telefoon. Ik pak hem op zonder erbij na te denken. Meldingen. Foto’s. Iemand met een nieuwe baan. Iemand die gaat samenwonen. Iemand die straalt op een terras met een bijschrift over dankbaarheid.
Ik scrol. Ik like. Ik leg mijn telefoon weer neer.
En daar is het. Dat kleine zinnetje dat steeds terugkomt:
Waarom voelt het bij mij niet zo?
In de keuken zet ik koffie. Het geluid van het apparaat vult de ruimte, maar het huis voelt groot. Te groot. Alsof mijn gedachten meer echo krijgen dan ze verdienen.
Op mijn werk lach ik. Ik maak grapjes tijdens de lunch. Als iemand vraagt hoe het gaat, zeg ik automatisch: “Goed hoor.” En het is geloofwaardig. Ik doe mijn werk. Ik haal deadlines. Ik zeg de juiste dingen op de juiste momenten.
Maar midden in een vergadering, terwijl iemand praat over plannen en cijfers, dwaalt mijn blik af naar het raam. Ik zie mijn reflectie in het glas. Even voelt het alsof ik naar iemand anders kijk. Iemand die precies weet hoe hij moet functioneren.
Ben ik dit? Of speel ik dit?
’s Avonds kom ik thuis. Ik gooi mijn tas op de stoel en plof op de bank. De stilte is anders dan ’s ochtends. Zwaarder. Ik zet de tv aan, niet omdat ik echt wil kijken, maar omdat ik geluid nodig heb. Iets dat bewijst dat de wereld nog beweegt.
Mijn telefoon licht op. De groepsapp maakt plannen voor het weekend. Ik typ: “Leuk! Ik laat het nog even weten 😊” en leg mijn telefoon weer weg.
Want ik weet het niet.
Ik weet vaak niet wat ik wil.
Wil ik drukte? Of rust? Mensen om me heen? Of juist niemand die iets van me verwacht?
Ik twijfel aan kleine dingen. Wat ik moet aantrekken. Of dat ene bericht niet te enthousiast klonk. Of juist te afstandelijk. Of ik dat grapje wel had moeten maken. Onder al die kleine twijfels zit iets groters dat ik nauwelijks durf aan te kijken.
Doe ik het wel goed?
’s Nachts, wanneer alles stil is, begint mijn hoofd pas echt te praten. Gesprekken van eerder die dag speel ik opnieuw af. Had ik dat anders moeten zeggen? Kwam ik wel zelfverzekerd genoeg over? Niet te veel? Niet te weinig?
Ik draai me om en staar naar het plafond. Het voelt soms alsof iedereen een handleiding heeft gekregen voor het leven, behalve ik. Alsof anderen zekerder stappen zetten, terwijl ik telkens eerst de grond aftast.
Het gekke is: overdag ziet niemand dit. Overdag ben ik sterk. Behulpzaam. Productief. Ik regel dingen. Ik los dingen op. Maar ergens diep vanbinnen zit een plek die zich klein voelt. Onzeker. Alleen.
Niet omdat er niemand om me heen is.
Maar omdat ik niet altijd weet hoe ik moet laten zien wat er echt in me omgaat.
Soms verlang ik niet eens naar meer mensen.
Ik verlang naar één moment waarop ik niet hoef te doen alsof het allemaal duidelijk is. Eén gesprek waarin ik kan zeggen: “Ik twijfel. Ik weet het even niet.” Zonder dat iemand meteen met oplossingen komt.
Misschien is mijn eenzaamheid niet alleen het ontbreken van gezelschap, maar het ontbreken van ruimte. Ruimte om hardop te zeggen dat ik zoekend ben. Dat ik bang ben om achter te lopen. Dat ik soms niet eens weet waar ik naartoe wil en daar met iemand zonder oordeel over te praten.
En misschien is mijn twijfel geen bewijs dat ik faal. Misschien betekent het dat ik voel. Dat ik geef om hoe ik leef. Dat ik het goed wil doen.
Maar op sommige dagen voelt het gewoon zwaar, en ook die dagen horen erbij.



